Actief burgerschap bevorderen? Zet in op kennis

Auteur: Edwin Slijkhuis*

Een democratie veronderstelt politieke participatie van burgers. Burgers kunnen hun voorkeuren en opvattingen kenbaar maken, en op die manier invloed uitoefenen op de keuzes die de overheid maakt. Om jongvolwassenen voor te bereiden op politieke activiteiten zijn scholen in veel Europese landen verplicht, of worden zij gestimuleerd, om hun leerlingen onderwijs te geven in burgerschap. Zo ook in Nederland, waar jongeren op school leren over de democratische rechtsstaat en oefenen met democratie. Deze opdracht aan scholen is onlangs verduidelijkt met het ingaan van een nieuwe wet op burgerschapsonderwijs. Per 1 augustus 2021 zal de burgerschapsopdracht meer gaan omvatten dan eerder, en duidelijker voorschrijven wat van de school verwacht wordt. Naast bevordering van sociale cohesie is actief burgerschap een centrale pijler. Actief burgerschap gaat over het deelnemen aan de samenleving als burger. Dit is enerzijds op de politiek gericht, bijvoorbeeld door te stemmen bij verkiezingen, en anderzijds op de maatschappij gericht, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk in de buurt.

Burgerschapscompetenties van adolescenten

Kort gezegd heeft het burgerschapsonderwijs tot doel leerlingen competenties, zoals kennis, vaardigheden en houdingen, bij te brengen die hen in staat stellen later als volwassenen actief deel te nemen aan de samenleving en het politieke proces. De vraag is echter in hoeverre burgerschapsonderwijs het gewenste effect heeft. Hoe kunnen we actief burgerschap onder jongvolwassenen daadwerkelijk aanmoedigen, en welke factoren spelen daarbij een rol?

Deze vraag stond centraal in mijn proefschrift Fostering Active Citizenship in Young Adulthood. Hierin ging ik na in hoeverre bepaalde burgerschapscompetenties van 14-jarige adolescenten hun deelname aan de samenleving en het politieke proces zeven jaar later voorspellen, wanneer zij 21-jarige jongvolwassenen zijn. De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld op twee momenten. De eerste meting was onderdeel van de Nederlandse dataverzameling van het International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) uit 2009. Hierbij zijn burgerschapscompetenties van leerlingen in de tweede klas van het voortgezet onderwijs (op een leeftijd van 14 jaar oud) gemeten. Denk bijvoorbeeld aan hun politieke en maatschappelijke kennis en hun houding ten opzichte van democratische kernwaarden. De tweede meting vond zeven jaar later plaats met gestandaardiseerde interviews. Er zijn 134 jongvolwassenen bereid gevonden om deel te nemen aan deze tweede meting, allen namen in 2009 ook deel aan de ICCS-studie.

Het meten van actief burgerschap

Jongvolwassenen participeren in het politieke proces deels op andere wijze dan volwassenen, en lijken soms wat minder politiek betrokken of zichtbaar in onderzoek. Echter, de metingen van politieke participatie spelen niet in op jongvolwassenen. Zo zijn online vormen van politieke participatie vaak niet voldoende gemeten in eerder onderzoek. Dit heb ik geprobeerd op te lossen door nieuwe vragen toe te voegen aan bestaande metingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om online gesprekken op discussiefora, het delen van politieke video’s of het ondersteunen van politieke of maatschappelijke actiegroepen via sociale media. Zo heb ik een nieuw instrument ontwikkeld om de politieke participatie in de doelgroep van 18 tot 24-jarigen te meten. Hier zijn twee vormen van politieke participatie onderscheiden, overeenkomstig aan een eerder in de literatuur gemaakt onderscheid: conventionele en onconventionele politieke participatie. Conventioneel wil zeggen dat de activiteit door de overheid of via een politiek orgaan verloopt, zoals stemmen bij verkiezingen en flyeren voor een politieke partij. Onconventioneel wil zeggen dat de activiteit buiten de overheid om gaat, en de participant zelf meer aan het roer staat, zoals bij demonstraties, een politieke discussie op een forum, of bij het boycotten van een product. Tot slot is ook de maatschappelijke participatie van jongvolwassenen gemeten, op basis van vrijwilligerswerk, deelname aan het verenigingsleven en inzamelingsacties voor goede doelen.

De invloed van burgerschapskennis en -houdingen

Met deze nieuwe metingen is vervolgens de relatie onderzocht tussen de burgerschapscompetenties van 14-jaringen en hun actief burgerschap wanneer zij jongvolwassen (21 jaar) zijn. De burgerschapscompetenties zijn onder te verdelen in kennis, democratische waarden en houdingen (zoals wat iemand onder goed burgerschap verstaat), en het vertrouwen in jezelf dat je kunt bijdragen aan de samenleving. Uit de analyses bleek dat alleen kennis over de politiek en maatschappij een voorspellende waarde heeft voor het latere actief burgerschapsgedrag van jongvolwassenen. Zo waren jongeren die op 14-jarige leeftijd meer kennis over de democratie en de rechtsstaat hadden, vaker politiek actief op 21-jarige leeftijd.

Ik vond geen relaties tussen de andere gemeten burgerschapscompetenties en latere deelname aan de samenleving. De democratische waarden en houdingen van 14-jarigen hangen niet samen met politieke participatie op 21-jarige leeftijd. In kortlopende onderzoeken worden vaak wel positieve relaties gevonden tussen deze burgerschapscompetenties en participatie. In die onderzoeken wordt participatie vaak gemeten met een vraag naar de intentie van de jongere, of ze in de toekomst een politiek activiteit te gaan doen. Het verband tussen zo’n intentie en de daadwerkelijke participatie op latere leeftijd is echter helemaal niet zo groot. Een jongere kan positief tegenover toekomstig gedrag staan, bijvoorbeeld om een demonstratie bijwonen, maar ze blijken het later niet per definitie uit te voeren.

De wereld buiten de school

Als het niet de verworven burgerschapscompetenties op 14-jarige leeftijd zijn, wat zorgt er dan wel voor dat jongeren op latere leeftijd politiek en maatschappelijk actief zijn? Om dit te onderzoeken heb ik gekeken naar twee alternatieve verklaringen voor toekomstige politieke en maatschappelijke participatie van adolescenten. De eerste alternatieve verklaring zocht ik in de relaties met belangrijke anderen. Eerder onderzoek laat zien dat buiten de schoolcontext, ouders, vrienden, de media en verenigingen kunnen bijdragen aan politieke en maatschappelijke kennis, interesse, vertrouwen en het netwerk van jongeren en hen in staat stellen actieve burgers te worden. Dergelijk onderzoek is vaak onder wat oudere adolescenten (15- tot 17-jarigen) uitgevoerd. In mijn onderzoek heb ik situaties meegenomen waarin jongeren praten met vrienden en ouders over politiek en maatschappelijke problemen, of ze de krant lezen of het nieuws via andere (sociale) media volgen en of ze actief zijn binnen vrijwilligersorganisaties. Ik vond deze situaties echter niet terug als verklaring voor actief burgerschap.

Wat ik wél tegenkwam was dat vmbo-leerlingen die (relatief) veel praten over politiek met vrienden later minder participeerden in politieke activiteiten, terwijl ik dit verband niet signaleerde bij vwo-leerlingen. Dit kan erop duiden dat er andere mechanismen spelen voor vmbo- en vwo-leerlingen. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat in discussies van vmbo-leerlingen frustraties of gebrek aan vertrouwen in de politiek worden geuit, wat afwijzing van politieke instituties kan stimuleren, terwijl discussies van vwo-leerlingen mogelijk constructiever of positiever van aard zijn – en daarmee hun bereidheid tot latere politieke activiteiten niet wordt belemmerd. Dit is een interessant gegeven om verder onderzoek naar te doen.

Onderwijsprestaties en burgerschap

Als tweede alternatieve verklaring onderzocht ik de rol van onderwijsprestaties aan het einde van de middelbare school. De onderliggende aanname is dat de deelname van jongvolwassenen aan politieke en maatschappelijke activiteiten wordt gestimuleerd door hun algemeen vermogen om politieke en sociale processen te begrijpen. Voor de meting van onderwijsprestaties gebruikte ik de centraal eindexamencijfers van de drie verplichte kernvakken (Nederlands, Engels en Wiskunde). Maar ook de schoolprestaties lieten geen verband zien met latere participatie.

Er bleken in het algemeen wel verschillen te zijn tussen leerlingen uit verschillende onderwijsniveaus wat betreft hun politieke participatie, en dan met name tussen het vmbo en het vwo-leerlingen. Deze bevindingen bevestigen de conclusies van eerdere, ook internationale, onderzoeken dat leerlingen in het voorbereidend hoger onderwijs over het algemeen meer worden aangemoedigd om deel te nemen aan politieke activiteiten dan leerlingen in het beroepsgerichte onderwijs. Dit is een terugkerend patroon: jongvolwassenen met een hoger opleidingsniveau participeren meer in de politiek. Bij Tweede Kamerverkiezingen is er bijvoorbeeld een verschil in opkomst tussen verschillende opleidingsniveaus. Het idee is dat burgerschapsonderwijs kan bijdragen aan het verkleinen van deze verschillen. In mijn onderzoek heb ik dit laatste overigens niet vastgesteld. Ik kan alleen concluderen dat burgerschapskennis helpt voor de latere deelname aan politieke activiteiten, ongeacht het opleidingsniveau van de jongvolwassene.

Wat weten we nu?

Vanuit mijn onderzoek gezien zou het vergroten van de burgerschapskennis van leerlingen veelbelovend zijn, gezien de relatie met politieke participatie in jongvolwassenheid. Kennis over democratie en politieke instituties stelt jongvolwassenen in staat politieke activiteiten te ontplooien, ongeacht burgerschapsactiviteiten in en buiten de school. Deze bevinding impliceert dat scholen indirect kunnen bijdragen aan actief burgerschap van burgers via het bevorderen van burgerschapskennis. Daarmee ondersteunt dit resultaat het voornemen om burgerschapsonderwijs steviger op te nemen in het kerncurriculum van het primair en voortgezet onderwijs.

Verder maakt het onderzoek de complexiteit duidelijk van het voorspellen van de politieke en maatschappelijke participatie van jongvolwassenen. Kortlopend onderzoek wijst vaak op tal van burgerschapscompetenties, zoals houdingen, zelfvertrouwen en burgerschapsactiviteiten binnen de school, en ook de rol van ouders en vrienden die allen positief bijdragen aan actieve participatie in de samenleving. Maar in mijn onderzoek bleven deze relaties niet overeind. De vraag is dan waarom ik deze verbanden niet kon leggen tussen de twee metingen. Naast de grote tijdsspanne tussen de twee metingen, kan het ook zijn dat de eerste meting op een te vroeg moment kwam. Het is bekend dat bijvoorbeeld politieke houdingen nog niet stabiel zijn op veertienjarige leeftijd. Daarnaast zijn jongeren met name in de midden- en late adolescentie (15 tot 18 jaar) het meest vatbaar zijn voor politieke invloeden.

Tegelijkertijd laat internationaal vergelijkend onderzoek tot nu toe zien dat scholen in het voortgezet onderwijs überhaupt nauwelijks een rol spelen bij de verwerving van andere competenties dan kennis, dus de niet-cognitieve uitkomsten van leerlingen, zoals burgerschapshoudingen, waarden en intenties tot participatie. Ook in mijn onderzoek lijkt de voorspellende rol van burgerschapshoudingen voor politieke en maatschappelijke participatie in de jongvolwassenheid gering.

De school als oefenplaats

In het kader van burgerschapsonderwijs wordt de school gezien als een uitgelezen plek om met diversiteit in de samenleving in aanraking te komen en van elkaar te leren. Echter, in een onlangs verschenen rapport gaf het SCP aan dat leerlingen op school gescheiden leven, langs de lijnen van opleidingsniveau, etniciteit, religie en cultuur. Mijn onderzoek laat zien dat, als de ‘sociale scheiding’ blijf bestaan, er andere mogelijkheden zijn om leerlingen burgerschapservaringen mee te geven en de school als oefenplaats voor burgerschap in te richten, namelijk door in het curriculum aandacht te geven aan kennis over onze democratische rechtstaat en maatschappij. Uit eerder onderzoek is bekend dat er vooral positieve resultaten mogen worden verwacht na een langere periode met structurele aandacht voor burgerschap in het onderwijsprogramma. Idealiter gaat het dan over een doorlopende leerlijn vanaf de basisschool tot aan het hoger onderwijs. Scholen zijn al bezig om nieuwe initiatieven en werkgroepen burgerschap op te starten. Er gaat uiteraard tijd overheen voordat deze structuur staat. In de tussentijd is het belangrijk dat docenten zich bezig blijven houden met burgerschap, door in de klas te discussiëren over maatschappelijke thema’s, door als rolmodel te fungeren en door leerlingen te laten meebeslissen over klasse- en schoolregels.


* Edwin Slijkhuis is postdoctoraal onderzoeker bij de afdeling Onderwijswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op de opbrengsten van onderwijs in burgerschap in het primair onderwijs. Hij promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen op een longitudinaal onderzoek naar de relatie tussen burgerschapscompetenties en ervaringen van adolescenten en latere maatschappelijke en politieke betrokkenheid van jongvolwassenen.

Omslagfoto: Unsplash