Reactie op opiniestuk ‘Leidt verlies biodiversiteit écht tot ineenstorting van de natuur?’ in FD

Door gastblogger Dr. Helen Kopnina

Bas Haring schreef op 25 mei 2019 een opiniestuk in het FD getiteld ‘Leidt verlies biodiversiteit écht tot ineenstorting van de natuur?’ Dit najaar verschijnt zijn essay ‘Why Biodiversity Loss is Not a Disaster’. Hierin onderzoekt Haring uitspraken over biodiversiteit. Harings kerngedachte luidt: het is absoluut niet erg wat er met biodiversiteit gebeurt en wij hoeven er ook niks voor te doen, of laten. Hij schrijft: “Ik vind dat we beter moeten nadenken over de waarde van soorten en biodiversiteit. Niet zomaar geloven dat alle biodiversiteit nuttig is, en niet zomaar meegaan met het idee alle verlies rampzalig is”. Het is dus volgens Haring ook een kwestie van mening - en ethiek. Mijn vragen zijn: Wat maakt antropocentrisme (mensen centraal stellen boven alle andere soorten) ethisch verantwoord? Waarom zijn de beweringen van optimisten zo volhardend als de wetenschappelijke en ethische basis ervan ontbreekt?

Dat heeft er alles mee te maken dat het optimistische verhaal aantrekkelijk is, omdat mensen nou eenmaal graag horen hoe groot de menselijke vindingrijkheid en de veerkracht van de natuur zijn. Ook past het geruststellende verhaal van "het is niet zo slecht en we kunnen gewoon zo doorgaan" in het straatje van politieke leiders en bedrijven die belang hebben bij het beschermen van de status-quo.

Ik realiseer me dat het ondermijnen van de gedachte dat een gemakkelijke redding mogelijk is, geen populaire positie is. Wanneer de keuze is tussen "angst en innovatie", zoals een andere Nederlandse optimist Louise Fresco stelt, of als we kunnen kiezen tussen een toekomst vol ontbering of een rooskleurige toekomst, kiezen we er allemaal liever voor om in de prettige dingen te geloven. We moeten ons echter verzetten tegen dit optimisme, omdat het ecotopia dat het technisch optimisme schetst niet realistisch is.

Erop hameren dat menselijke activiteit massa-uitsterving veroorzaakt en dat als we niet snel handelen, het te laat zal zijn, is ook niet inspirerend. Dit kan zelfs verlammend werken. Toch moet de maatschappij op basis van realisme opereren. Dat betekent: de echte problemen waarmee we worden geconfronteerd onder ogen zien. Alleen dat is een basis voor hoop.

Onze ideeën over biodiversiteit worden niet alleen bepaald door wetenschappelijke principes, maar ook door ethiek die breed wordt gedeeld in de samenleving. De ethiek heeft in dit geval te maken met het feit dat - door toedoen van de mens - veel van de soorten op aarde tegen het einde van de eeuw uitgestorven zouden kunnen zijn en dat miljarden dieren in een intensief voedselproductiesysteem en medisch onderzoek tot slaven zijn gemaakt.

Ik bepleit een ecocentrische benadering, geworteld is in de milieufilosofie. Die benadrukt de  intrinsieke waarde van niet-menselijke soorten en het belang van biologische diversiteit. Eco-optimisme lijkt een ultieme strategie van ontkenning hiervan.

Er zijn veel redenen om sceptisch te zijn over het optimisme als het gaat om milieukwesties, zoals klimaatverandering en verlies van biodiversiteit. Cohen (2001) in ‘States of Denial: Knowing at Atrocities and Suffering’ beschrijft een nuttige verdeling van ontkenning in drie categorieën:

1) Letterlijke ontkenning - de bewering dat iets niet is gebeurd of niet waar is. Voor het broeikaseffect is Thierry Baudet hiervan een voorbeeld.

2) Interpretatieve ontkenning - waarbij de feiten zelf niet worden ontkend, maar die een andere interpretatie krijgen. Technisch jargon wordt gebruikt om de betekenissen van gebeurtenissen te verdoezelen. Militaire generaals spreken bijvoorbeeld van 'nevenschade' in plaats van gedode burgers.

3) Impliciete ontkenning betreft ontkenning van de psychologische, politieke of morele implicaties. Dit is geen ontkenning van informatie op zich, het is eerder een verzuim om deze kennis op te nemen in het dagelijks leven, of het om te zetten in sociale actie. Mensen hebben toegang tot informatie, accepteren deze informatie om verschillende redenen als waar, maar kiezen er niettemin voor deze te negeren.

4) Er is nóg een categorie, namelijk die van morele ontkenning. Dit is het type ontkenning waarvan sprake is bij het eco-optimisme van Haring. Het niet hebben van een moreel kompas en denken dat de discussie gaat over het al dan niet nuttig zijn van soorten, zoals Haring doet, kan vergeleken worden met praten over bijvoorbeeld de slavernij als niet echt moreel significant, maar als al dan niet economisch winstgevend.

Eenvoudig, dat wij als menselijke soort verantwoordelijk zijn voor het uitsterven van zoveel andere soorten is moreel verwerpelijk (Cafaro & Primack 2014; Piccolo et al 2018; Washington et al 2018).  Dus ja, ik vind ook dat wij moeten nadenken over de waarde van soorten en biodiversiteit. En ook wat ons als een soort onder alle andere soorten tot zo’n “God” maakt. Ook recente artikelen in het gerenommeerde Science spreken over de noodzaak om na te denken over antropocentrisme en de wettelijke rechten van de natuur (Crist et al 2018; Chapron et al 2019). Dit is een wijzer uitgangspunt tegenover verlies van biodiversiteit, het uitsterven van soorten en de waarde van niet-menselijke wezens te begrijpen dan ongefundeerd optimisme, hoe aantrekkelijk ook.

Bibliografie:

Cafaro, P.J. & Primack, R.B. 2014. ‘Species extinction is a great moral wrong’. Biological  Conservation. 170: 1-2.

Chapron, G., Epstein, Y. and López-Bao, J.V., 2019. A rights revolution for nature. Science363(6434), pp.1392-1393.

Crist, E., 2018. Reimagining the human. Science362(6420), pp.1242-1244.

Cohen, S. 2001. States of Denial: Knowing About Atrocities and Suffering, Polity Press, Cambridge.

Piccolo, J., Washington, H., Kopnina, H., Taylor, B. 2018. ‘Back to the future: Why conservation biologists should re-embrace their ecocentric roots’. Conservation Biology, 32(4):959-961.

Washington, H., Piccolo, J., Chapron, G., Gray, J., Kopnina, H., Curry, P. 2018. ‘Foregrounding ecojustice in conservation’. Biological Conservation, 228:367-374.

 


Dr. Kopnina, Helen (Ph.D. Cambridge University, 2002) is momenteel werkzaam aan de Haagse Hogeschool in Den Haag, coördineert het Sustainable Business-programma en voert onderzoek uit op drie belangrijke gebieden: duurzaamheid, milieueducatie en biodiversiteit. Kopnina is de auteur van meer dan honderd peer-reviewed artikelen en (co) auteur en (co)editor van vijftien boeken.