Thuisonderwijs is niks nieuws, maar het wegvallen van de rol van culturele gidsen wel

Auteur: Natascha Notten

Thuisonderwijs houdt ons nu allemaal bezig. Ook wanneer je zelf geen kinderen hebt. Het coronavirus legt zwakke plekken in onze samenleving bloot. Het al dan niet kunnen bieden van thuisonderwijs is daar één van. Door de verschillende ervaringsverhalen die nu in de media komen, wordt voor iedereen zichtbaar hoe verschillend de thuisomgeving van kinderen kan zijn. Sommige kinderen werken met hun ouders aan de keukentafel een strak huiswerkschema door, terwijl leeftijdsgenootjes de enige laptop in het gezin delen met broertjes en zusjes. Oftewel, we zien duidelijk de dagelijkse verschillen tussen diverse sociaaleconomische milieus. We worden ook geconfronteerd met de gevolgen hiervan voor de opvoeding en ontwikkeling van kinderen.

Afbeelding door Annie Spratt via Unsplash

Ongelijke kansen, voor, na en tijdens de crisis

Onderwijsongelijkheid en ongelijke kansen in het onderwijs zijn deze dagen dan ook een “hot” onderwerp. En dat is goed. Want hoewel we in Nederland nastreven dat iedereen gelijke kansen krijgt, en school daar een belangrijke rol in zou moeten vervullen, weten we al langer dat dit niet het geval is.[1] Maar nu krijgen we de verschillen ook goed te zien. Er is een hardnekkige sociale ongelijkheid, omdat thuisonderwijs altijd al in ongelijke mate wordt aangeboden. Kinderen uit hogere sociaaleconomische gezinnen hebben sowieso al een streepje voor. Zij worden thuis meer gestimuleerd en gesteund op een manier die aansluit bij de schoolomgeving en -curricula dan kinderen uit lagere sociaaleconomische gezinnen. Dat was zo voor de coronacrisis, dat zien we tijdens de coronacrisis, en dat zal na de coronacrisis ook zo zijn. En het is precies dit mechanisme dat de basis vormt van de sociale en culturele reproductie theorie: het in ongelijke mate krijgen van “thuisonderwijs” ofwel een opvoeding die “gunstige” culturele en sociale competenties en vaardigheden overdraagt.[2]

Diverse partijen werken op dit moment samen om kinderen uit de lagere sociaaleconomische gezinnen thuis van laptops en wifi te voorzien. Om zo de ongelijkheid wat terug te dringen. Zodat ook voor deze kinderen school en de cognitieve ontwikkeling kan doorgaan. Het is belangrijk dat deze randvoorwaarden op orde zijn, maar het is slechts een deel van het probleem. Deze kinderen hebben nu in ieder geval toegang tot de lesstof. Maar veel van deze kinderen zullen het nu verder zelf moeten uitvinden. Want ook als kinderen uit verschillende milieus dezelfde cognitieve vaardigheden en digitale hard- en software in huis hebben, hebben zij niet in gelijke mate begeleiding en ondersteuning thuis.

Dit kan te maken hebben met minder competenties en/of meer financiële stress van ouders in lagere sociaaleconomische posities, waardoor zij niet de mogelijkheid en rust hebben hun kinderen te helpen. Maar ook de cultuur en omstandigheden waarin je als ouder zelf bent opgegroeid, spelen een rol. Zoals kennis van hoe de regels rondom instituties zijn, formeel en informeel. Zo hebben ouders met een lagere sociaaleconomische positie over het algemeen minder ervaring met onderwijs. Zij zijn daarom minder goed op de hoogte van wat er vanuit school verwacht wordt van ouders, maar ook wat je als ouder van een leerkracht mag verwachten of aan hem/haar mag vragen.

En dit laatste is een belangrijk punt. Want ook als alle randvoorwaarden voor het inhalen en bijhouden van de lesstof thuis in orde zijn, en ook als we straks de hele zomervakantie volplannen met zomerscholen en extra lessen om de “schade” in cognitieve ontwikkeling in te halen. Dan nog ontbreekt het veel kinderen aan een essentiële andere hulpbron: een culturele gids zoals Annette Lareau het zo mooi omschrijft.[3] Ofwel sociaal kapitaal, zoals sociologen dat noemen. In gewone mensentaal: iemand die je kan helpen een weg te vinden door deze instituties en materie, die je een steuntje in de rug kan geven daar waar nodig.

Het ontbreken van een gids

Het zijn juist de kinderen in de gezinnen waar ouders niet goed weten hoe om te gaan met instituties zoals school waarbij de rol van een culturele gids zo belangrijk is; iemand die een voorbeeld is van hoe het ook anders kan en die de regels kan uitleggen en hulp kan bieden, zowel aan ouder als kind. De leerkracht kan een dergelijke gids zijn, bijvoorbeeld door de leerling net een extra duwtje te geven of door ouders uit te leggen hoe het uitzoeken van een geschikte middelbare school werkt. Dit valt nu weg. De culturele gids in de vorm van de leerkracht valt weg. Maar andere mogelijke gidsen zijn door de crisis ook in één klap verdwenen, zoals de trainer van het basketbalteam, de ouder van een klasgenootje of de kinderwerker in het buurthuis. Kinderen groeien op in verschillende omgevingen, thuis maar ook op school en in de wijk. Vanuit een toepassing van de theorie van Bronfenbrenner wordt dit ook wel een leerecosysteem genoemd.[4] En juist het wegvallen van de diversiteit in omgevingen ofwel de versobering van het leerecosysteem nu tijdens de coronacrisis is vooral voor kinderen uit lagere sociaaleconomische gezinnen een probleem.

Want kinderen in lagere sociaaleconomische gezinnen worden minder ondersteund bij het autonoom zijn, en leren minder goed in gesprek te gaan met volwassenen, zoals leerkrachten. Deze kinderen leren thuis niet goed om hulp te vragen en krijgen het ook niet zomaar aangeboden. Zij zullen het dus zelf gaan oplossen, en daardoor meer drempels tegenkomen en vaker vast blijven zitten dan kinderen uit hogere sociaaleconomische gezinnen. Maar weten dat dit zo is, betekent ook dat scholen, organisaties en instellingen in de directe omgeving van deze gezinnen iets kunnen doen. Door letterlijk en figuurlijk naar de kinderen en ouders uit deze gezinnen toe te bewegen, om de verschillende culturele vaardigheden en competenties die zij nodig hebben aan te reiken. Voor opwaartse mobiliteit zijn kruiwagens nodig, en als die er thuis niet zijn dan speelt de omgeving een grotere rol.  Dus de leerkracht of de opbouwwerker in de wijk die tijdens de coronacrisis even voor het raam komt staan om gedag te zeggen en een praatje te maken, ook al is het maar heel kort, is om verschillende redenen nu heel waardevol.

Hoe straks verder?

Kortom, om terug te komen op de sociale en culturele reproductietheorie: stel dat de kinderen thuisblijven tot en met de zomervakantie dan betekent dit een half jaar minder inhoudelijk onderwijs, maar ook een half jaar zonder gidsen en kruiwagens voor veel kinderen. En wanneer je zelf 6, 12 of 16 bent, is een half jaar een hele lange tijd. Hoe gaan we dit straks rechttrekken? In ieder geval door niet enkel aandacht te besteden aan de opgelopen verschillen in kennis, maar door wat mij betreft vooral aandacht te besteden aan het mobiliseren van gidsen en coaches. Voor zowel ouders als voor de kinderen. En dan graag zo divers mogelijk. Bijvoorbeeld door het organiseren van zomerscholen met aanbod voor kinderen uit allerlei soorten gezinnen. Dus heterogene activiteiten voor een heterogene groep kinderen, ouders en “gidsen”. Waarin door middel van kunst, cultuur en sport niet alleen de regels van de betreffende activiteit worden geleerd, maar ook de geschreven en ongeschreven regels rondom instituties. Als we straks toch niet op vakantie kunnen, is dit wellicht voor iedereen een welkome afwisseling.

 

Bronnen:

[1] De Beer, P. & Van Pinxteren, M. (2016). Meritocratie. Op weg naar een nieuwe klassensamenleving? Amsterdam: Amsterdam University Press. Te vinden hier.

[2] Bourdieu, P. & Passeron, J.-C. (1970). Élément pour une théorie du système d'enseignement. Paris: Éditions de Minuit. Engelse vertaling (1977): Reproduction in education, society and culture. London: Sage/Theory, Culture & Society.

[3] Lareau, A. (2015). Cultural knowledge and social inequality. American Sociological Review, 80(1), 1-27.

[4] Bronfenbrenner, U. (1989). Ecological systems theory. Annals of Child Development, 6, 187-249.

 


Omslagfoto door Helmut H. Kroiss via Pixabay